Er was een tijd dat hardlopen vanzelf ging.
Niet omdat het altijd licht voelde—dat is een romantisch beeld dat niet klopt. Ik heb altijd hard en serieus getraind. Maar het was wel vanzelfsprekend. Schoenen aan, deur uit, en binnen een paar minuten zat ik in dat ritme waarin alles klopt. Het lichaam doet wat het moet doen, het hoofd wordt stil, en de wereld wordt simpel: passen, ademhaling, cadans.
Met een verleden als topatleet (2:10:05 op de marathon, 1:01:07 op de halve) en daarna jaren als fanatieke amateur met weken van 100 kilometer of meer, voelde het alsof dat fundament onverwoestbaar was. Conditie was iets wat je opbouwt, onderhoudt en altijd weer kunt terugvinden. Misschien even kwijt, maar nooit echt weg.
Tot 2025.
Het begon met iets wat je in eerste instantie nog weg relativeert: een heupblessure in januari. “Even rustig aan.” “Komt wel goed.” Maar het werd geen korte onderbreking. Het werd een streep door maanden. Tot eind juli was hardlopen geen opbouw, maar afwisseling tussen hoop en terugval.
En precies op het moment dat ik dacht: nu kan ik weer bouwen, sloeg het lichaam opnieuw hard terug. In augustus 2025: drie infarcten. Stent geplaatst. En ineens is het niet meer de vraag hoe je terugkomt in vorm, maar of je überhaupt weer normaal kunt functioneren.
Dat is een ander gesprek.
Toch kwam er een fase waarin het even leek te kantelen. Oktober en november 2025. Voorzichtig weer ritme. Niet zoals vroeger, maar er was weer iets herkenbaars. Een paar trainingen waarin je denkt: oké, dit komt misschien terug. Niet snel, niet spectaculair, maar voelbaar.
Tot december. Ritmestoornissen. En opnieuw gingen de schoenen in de kast.
En alsof het lichaam alleen nog niet genoeg was, kwam in februari 2026 ook het verlies van mijn moeder. Een klap die alles stilzet. Want op dat moment verschuift hardlopen naar de achtergrond van alles wat echt telt. En terecht. Maar het betekent ook: weer weken, weer maanden, weer verlies van ritme.
En zo werd 2025–2026 geen terugkeer, maar een aaneenschakeling van onderbrekingen.
Wat je pas later echt begrijpt, is wat dat doet met je basis.
We denken vaak dat conditie iets blijvends is. Iets dat onder de oppervlakte altijd aanwezig blijft. Maar fysiologisch klopt dat maar deels. Onderzoek laat zien dat je VO₂max al binnen 2 tot 3 weken begint te dalen bij volledige inactiviteit. Na maanden gaat het niet alleen om uithoudingsvermogen, maar ook om loopeconomie, spiervezels, peesbelasting en herstelcapaciteit.
Je verliest niet alleen conditie. Je verliest efficiëntie. Veerkracht. Automatismen.
En dat is precies waarom terugkomen zo anders voelt dan je denkt.
Daarbovenop komt leeftijd. Bij bijna 53 verandert herstel. Niet dramatisch, niet plotseling, maar subtiel en onverbiddelijk. Belastbaarheid komt langzamer terug. Vermoeidheid blijft langer hangen. Waar je vroeger een zware week kon “uitlopen”, vraagt het lichaam nu om tijd die je mentaal vaak niet wilt geven.
En daar begint de frictie.
Vandaag loop ik drie keer per week.
En dat is op zichzelf al een verschil met vroeger, toen zes trainingen per week en 100 kilometer geen uitzondering waren. Maar het grootste verschil zit niet in aantallen of schema’s.
Het zit in gevoel.
Waar 4:15/km vroeger een rustige duurloop was, voelt 4:50/km nu soms zwaar. Niet alleen in benen, maar in alles. En na trainingen blijft er vaak een soort leegte hangen. Niet het voldane gevoel van “lekker getraind”, maar vermoeidheid die dieper lijkt te zitten dan de inspanning verklaart.
Intervallen? Die lukken nauwelijks. Ritme is er niet. Flow is er niet. En soms zelfs de zin niet.
En dat is misschien wel het moeilijkste: dat hardlopen iets verliest wat nooit in cijfers heeft gezeten. Niet je snelheid, maar je vanzelfsprekendheid.
Want als je jarenlang hebt hardgelopen, denk je niet na over gaan. Je gaat gewoon. Nu is dat omgedraaid. Het gesprek begint al voordat je je schoenen aantrekt.
“Zal ik wel?”
“Is het de moeite?”
“Waarom voelt het niet zoals vroeger?”
En dat gesprek is vermoeiender dan de training zelf.
Toch zijn er momenten waarop er iets doorheen prikt.
Een paar kilometer waarin het ineens iets lichter wordt. Een ademhaling die niet vecht maar meebeweegt. Een training die niet goed is in de oude zin, maar wel kloppend voelt in het nu. Geen terugkeer naar vroeger, maar een glimp van dat lopen niet alleen zwaar hoeft te zijn.
En dat zijn de momenten die blijven hangen.
Niet omdat ze alles oplossen, maar omdat ze iets anders laten zien: dat het niet weg is. Alleen veranderd.
Misschien is dat waar het uiteindelijk om draait.
Niet terugvechten naar wie ik was. Niet proberen een oud lichaam en oud gevoel te herstellen alsof tijd stil heeft gestaan. Maar leren accepteren dat dit het vertrekpunt is geworden.
Accepteren dat vorm tijd kost.
Accepteren dat plezier niet op commando terugkomt.
Accepteren dat sommige trainingen gewoon zwaar mogen zijn, zonder dat het meteen iets betekent.
En misschien nog belangrijker: accepteren dat hardlopen niet altijd iets hoeft te “geven”. Soms is het genoeg dat je gaat. Dat je beweegt. Dat je blijft verschijnen, ook als het niet klopt zoals vroeger.
Want misschien komt dat oude gevoel nooit precies terug zoals het was.
Maar wat ik wel begin te merken, heel voorzichtig, is dit:
dat er ook in dit nieuwe, trage, zoekende lopen iets zit wat je alleen ontdekt als je het oude durft los te laten.
En dat is geen verlies meer.
Dat is iets nieuws dat langzaam ruimte krijgt.
Niet snel. Niet spectaculair.
Maar wel echt.
En misschien is dat precies waar het weer begint.